Techniekpromotie en in Maatschappelijke Stages zijn nieuwe investeringen van de overheid in het Nederlandse onderwijs. Techniekpromotie moet de instroom jongeren in de technieksector op een hoger peil brengen. Maatschappelijke Stages moeten jongeren een sterk maatschappelijk bewustzijn bij brengen. Deze los van elkaar staande maatregelen beogen het onderwijs beter te laten aansluiten op huidige eisen van onze samenleving. De vitaliteit en concurrentiekracht van Nederland moet gewaarborgd worden.
Problemen
Over de doelstellingen van deze beleidsmaatregelen niets dan lof. Bij de uitvoering en effectiviteit ervan zijn echter grote vraagtekens te zetten.
Kijken we naar techniekpromotie en de wijze waarop die plaats vindt, dan valt het groot aantal acties op die onderlinge samenhang en structuur missen en die veelal gericht zijn op verkeerde doelgroepen. Daarbij gaat het voornamelijk om leerlingen van groep 8 in het basisonderwijs en om leerlingen in het vmbo. Dat zijn leerlingen die, veelal door ouders gestuurd, theoretische leerwegen kiezen, met alle persoonlijke en maatschappelijke drama's tot gevolg, zoals enorme verveling bij leerlingen, grote schooluitval en toenemende onbalans op de (technische) arbeidsmarkt.
Kijken we naar Maatschappelijke Stages, als vorm van buitenschools leren binnen het vrijwilligerswerk, dan zien we dat de overheid de uitvoering ervan geheel overlaat aan de onderwijsinstellingen, zonder zicht te hebben op welke stageplaatsen beschikbaar zijn en van welk niveau die zijn. Deze onzekerheden in de uitvoering maken de maatschappelijke waarde van deze stages en de daaraan gekoppelde hoge overheidsbijdrage van ca. 375 euro per stagiair uiterst discutabel.
Oplossing
Een belangrijk deel van deze problemen is op te lossen door techniekpromotie en Maatschappelijke Stages in één, nieuw, uitvoeringstraject onder te brengen. Het concept 'Onderwijs helpt Onderwijs' geeft daar vorm aan. Het betreft een samenwerkingsproject waarbij leerlingen en studenten uit de hele onderwijskolom techniek als team assisteren bij techniekbegeleiding in het basisonderwijs. Die teams richten zich in eerste instantie op leerlingen van groep 4 en 5 van de basisschool en hun ouders, opdat die vroegtijdig beseffen, welke kansen de meer praktische en technisch gerichte opleidingen in het voortgezet onderwijs bieden.
Deel uitmaken van een techniekbegeleidingsteam is een schitterende toepassing van buitenschools leren binnen het voortgezet onderwijs. Zet Maatschappelijke Stages daarvoor in, zodat die een concrete maatschappelijk betekenis krijgen met een hoge individuele en maatschappelijke toegevoegde waarde.
De organisatie van dit samenwerkingsproject kan helemaal in handen komen van leerlingen en studenten techniek, als praktijkdeel van hun opleiding. De bekostiging daarvan valt dan binnen de reguliere lumpsum financiering, waardoor de OCW-regeling van ca. 375 euro per Maatschappelijke Stage overbodig wordt en waardoor op de Onderwijsbegroting structureel met dat bedrag x duizenden bezuinigd kan worden.
Tenslotte kunnen technici-in-deeltijdwerk en afgestudeerde technici-zonder-baan in deze crisistijd de studententeams techniek prima aanvullen en ondersteunen: goed voor hen, goed voor de samenleving.
Crisis? Zegen voor het techniekonderwijs!
'Onderwijs helpt Onderwijs' bevordert het zelforganiserend vermogen van de sector en de ketenvorming binnen die sector. Dat gaat niet vanzelf, zeker niet vanuit de onderwijsinstellingen.
Deze crisistijd vraagt om trendbreuken in maatschappelijke aansturing en om innovatieve oplossingen van actuele maatschappelijke problemen, zoals hier bepleit voor het techniekonderwijs. Niet overheidsgeld, maar samenwerken en slim organiseren zijn hier de katalysatoren voor vooruitgang. Crisis? Een zegen!
Crisis? Zegen voor het techniekonderwijs!
Toelichting
Innovatie- en Techniekpromotie in Nederland
Al geruime tijd fungeert de slogan 'Nederland Kennisland' als kompas voor economische vooruitgang in ons land. De huidige economische crisis heeft daar plotseling een dimensie aan toegevoegd. 'Economische crisis, kenniseconomie en kwaliteit van onderwijs' zijn op dit moment als combinatie aanleiding tot verhitte discussies over de Miljoenennota en over deelbegrotingen, zoals de Onderwijsbegroting.
Zorgen over Nederland Kennisland maken daar deel vanuit. Is de overheid met haar twee sporenbeleid voor innovatie- en techniekpromotie, gericht op de top van ons onderwijssysteem en op de basis ervan, wel effectief genoeg voor een gezonde economische toekomst van Nederland?
Het InnovatiePlatform (IP) richt zich met 28 organisaties en hun KennisInvesteringsAgenda (KIA) op de top van ons onderwijs en bedrijfsleven. Deze kennisketen streeft twee doelen na: handhaving van de uitstekende publieke kennisbasis, o.a. via centers of excellence, en een betere maatschappelijke benutting van hoogwaardige kennis en innovaties, o.a. via een zogenaamd valorisatiemanifest van KIA-organisaties.
Hoewel het IP uitgaat van de wenselijkheid dat alle bewoners van Nederland het beste uit zichzelf halen en dat het activeren en vitaliseren van talenten in mensen van cruciaal belang is voor de Nederlandse samenleving, concentreert het valorisatiemanifest 'Kennis moet circuleren' zich voornamelijk op de 'hoogvlakte' van ons onderwijs en de daaraan gelieerde kennisinstellingen. Voor de zorgwekkende ontwikkelingen aan de basis van ons onderwijs lijkt het IP minder aandacht te hebben.
Die zorgelijke situatie betreft de sterk afnemende instroom jongeren in de technieksector en de aanzienlijke schooluitval in het beroepsonderwijs. Voor een belangrijk deel is dat te wijten aan het profiel van de leerkracht op basisscholen: een jonge vrouw die met veel toewijding haar vak uitoefent, maar die affiniteit met techniek mist. Pabo's zijn daar mede debet aan; techniek komt daar nauwelijks aan de orde. Kinderen missen daardoor in een vroeg stadium van hun ontwikkeling aansluiting met de wereld van techniek. Leerkrachten en ouders in het basisonderwijs zien dit niet als een probleem; blijkbaar door onvoldoende zicht op nieuwe ontwikkelingen in de technieksector en op de kansen die zich daarbij voordoen.
Het gevolg is, dat niet alleen de kwaliteit en kwantiteit van de 'hoogvlakte' van ons kennisland op termijn onder druk komt te staan, maar juist ook die van de uitgestrekte 'laagvlakte' van beroepsonderwijs en mkb-bedrijven. Op die laagvlakte zit meer dan 80% van de economische kracht van Nederland, met een enorme hoeveelheid kennis en innovaties. Dat fundament van Nederland Kennisland loopt ernstig gevaar.
Zo goed als het IP met zijn KIA-organisaties zich inzet voor betere maatschappelijke benutting van hoogwaardige kennis en innovaties, zo weinig inbreng toont het IP bij de aanpak van verbreding van techniek aan de basis van het onderwijs. Losjes, qua organisatie en financiering, wordt deze urgente kwestie overgelaten aan de tijdelijke uitvoeringsorganisatie Platform Bèta Techniek, aan brancheorganisaties en aan particuliere initiatieven. In de praktijk heeft dit geleid tot een enorme verdichting van organisaties die zich, los van elkaar, met techniekpromotie bezighouden. Sommige hebben effect, bij andere is dat zeer de vraag. In veel gevallen gaat het om eenmalige acties en meestal gericht op leerlingen van groep 8 in het basisonderwijs of op leerlingen in het beroepsonderwijs. Dergelijke acties komen voor deze leerlingen in feite te laat, omdat hun keus voor een vervolgopleiding dan al is bepaald, vaak door de ouders.
Techniekpromotie heeft alleen effect, als kinderen al in de onderbouw van de lagere school systematisch met techniek in aanraking komen. Wie van hen naar het vmbo gaat, kan dan een redelijke afweging maken: of een theoretische leerweg of een meer praktijkgerichte opleiding. Leerlingen van havo- of vwo-niveau kunnen de opgedane techniekindrukken later benutten bij hun profielkeus in de vo-bovenbouw.
Het concept Verbreding Techniek Basisonderwijs (VTB), als onderdeel van het Platform Bèta Techniek, richt zich op het primair onderwijs. Dat gebeurt door scholing van leerkrachten via instructiebijeenkomsten met VTB-coördinatoren en via webinformatie. Met deze kennis kunnen die leerkrachten techniek op een effectieve manier in hun lesprogramma's onderbrengen. Dit uitstekende uitgangspunt kent wel drie bezwaren. De subsidie aan VTB is tijdelijk en niet toereikend om alle basisscholen in Nederland te bedienen. Een tweede bezwaar is, dat nogal wat jonge vrouwelijke leerkrachten het onderwijs verlaten, met als risico dat hun techniekkennis voor die school verloren gaat. Tenslotte is het bezwaar dat de VTB-activiteiten niet rechtstreeks bij de leerlingen en hun ouders terecht komen.
Leerlingen in havo en vwo hebben extra mogelijkheden met de wereld van techniek in aanraking te komen. Zij hoeven pas in hun derde leerjaar een studieprofiel voor de bovenbouw te kiezen. Jet-Net, met zijn techniekambassadeurs uit het bedrijfsleven, speelt daar al een aantal jaren actief op in. Gedurende dat derde studiejaar ontmoeten die leerlingen via Jet-Net allerlei mensen uit de techniekpraktijk. Dat blijkt de keuze voor bèta-achtige studierichtingen significant te bevorderen.
Tal van andere initiatieven, zoals TechniekTalent.nu, VONK in Den Bosch e.o., SLO Enschede en overige uitgevers van schoolmateriaal, bezitten alle het doel om techniek onder jongeren te promoten, deels uit idealisme, deels uit P&O-belang en deels uit commercieel belang. Toch blijkt het maatschappelijk rendement van die initiatieven beperkt Ze richten zich veelal op te oude doelgroepen en ze vertonen weinig onderlinge samenhang.
Dit gebrek aan een solide kennisketen à la KIA en het ontbreken van een nationale techniekagenda voor de 'laagvlakte' van onze economie zullen de zorg over de afnemende instroom van jongeren in de technieksector alleen maar bevestigen.
Onderwijs helpt Onderwijs
Vijf politieke partijen in Regio Rivierenland, CDA, PVDA, D'66, SGP en VVD, hebben in 2007 gezamenlijk dit probleem in een thema-avond Onderwijs & Arbeidsmarkt aanhangig gemaakt. Daarbij was de hele onderwijskolom techniek, van vmbo tot en met universiteit, uitgenodigd met als vraag in hoeverre deze onderwijskolom zelf voor een trendbreuk in de tanende belangstelling voor techniek kan zorgen.
De aanbevelingen waren bijzonder. Als eerste: focus met techniekpromotie vooral op jonge leerlingen in het basisonderwijs, minstens te beginnen vanaf groep 5. Want deze kinderen van een jaar of acht zijn nog onbevangen en ontvankelijk voor techniektoepassingen en vinden het uitdagend nieuwe dingen te ontdekken en te maken. Een tweede aanbeveling betreft het aanbieden van een heldere structuur in het techniekprogramma voor die leerlingen. Als laatste, maar niet de minste aanbeveling: gebruik kennis en capaciteit van studententeams techniek bij organisatie en uitvoering van techniek in het basisonderwijs.
Uit deze aanbevelingen is het idee 'Onderwijs helpt Onderwijs' (OhO) geboren, met de volgende kenmerken:
1.Techniekteams assisteren leerkrachten in het basisonderwijs;
2. Die teams bestaan uit havisten, vwo'ers, vmbo'ers en mbo'ers;
3. Pasafgestudeerden technici zonder werk en jonge deeltijdwerkers zijn eveneens welkom;
4. Samen vormen zij op regionaal niveau verticale onderwijsketens techniek;
5. De organisatie daarvan ligt in handen van studenten uit het hoger onderwijs;
6. Bedrijven en organisaties die met het techniekonderwijs samenwerken, leveren aanvullende faciliteiten.
Om OhO te verwezenlijken zijn structureel grote aantallen, maatschappelijk zeer relevante stageplaatsen nodig. Met de luide roep om stages, zou dat nu goed uitkomen.
Conclusie: Zoals de KIA-keten de 'hoogvlakte' van ons kennisland ondersteunt, zo kunnen regionale OhO-ketens funderingen leggen voor de 'laagvlakte' van Nederland Kennisland.
Bij de introductie van een nieuw concept zijn er altijd kansen en bedreigingen in het spel. Dat geldt ook voor OhO.
Kansen voor leerlingen, studenten en werkloze jongeren
Voor jonge leerlingen in het basisonderwijs levert dit concept verschillende kansen op. Op basisscholen die techniek in het lesprogramma hebben geïntegreerd, ontdekken leerlingen hoe verschillende technische toepassingen werken en gemaakt moeten worden. Het denken en doen hierbij is 'fun' voor hen. Zij kijken ernaar uit: techniekonderwijs als motivatieprikkel om op school te zijn.
Integratie van dat techniekonderwijs in het lesprogramma zorgt voor spreiding van die motivatie naar andere vakken.
Bovendien ontmoeten zij met de inzet van jongerenteams techniek een andere type begeleiding, dan louter die van de schooljuffrouw. Hoe goed en zorgzaam zij met hun leerlingen ook omgaan, met jonge techniek-assistenten in de klas komen deze leerlingen op directe wijze in aanraking met de wereld van techniek.
Voor jongerenteams techniek is het bijzonder vormend, wanneer zij hun vakkennis aan kinderen op de basisschool kunnen overbrengen. De verantwoordelijkheid die zij daarbij krijgen en het besef met een nuttige zaak bezig te zijn, zal het zelfrespect bij hen aanwakkeren. Deze activiteit wordt tegelijkertijd een inspirerende onderbreking van hun eigen schoolse of werkloze bestaan.
Ook 'overbelaste jongeren' - een term van Pieter Winsemius - kunnen deel uitmaken van deze techniekteams. Daarmee ontstaat voor hen op ongedwongen wijze de kans op 'connectnedness & belonging', die ze zelf niet voor elkaar krijgen. Als lid van zo'n techniekteam kan de kansarme zich optrekken aan de kansrijke.
Pasafgestudeerden technici zonder baan en deeltijdwerkers die zich bij OhO aansluiten, krijgen zij de kans hun vakgebieden in een inspirerende setting te blijven uitoefenen, gericht op resultaten die voldoening geven. Bovendien kunnen ze hun maatschappelijke contacten er door uitbreiden.
Kansen voor onderwijsinstellingen
Basisscholen krijgen met OhO de kans op gratis steun bij het vormgeven en uitvoeren van een lesprogramma met techniek. Leerkrachten die steeds minder affiniteit met techniek hebben, kunnen in samenwerking met jongerenteams techniek zonder vrees daar de nodige aandacht aan besteden. Met de extra motivatieprikkels die hieruit voortkomen, leggen de basisscholen de basis voor meer gemotiveerde leerlingen in het voortgezet onderwijs. En dat is maatschappelijk gezien zeer gewenst.
Het voortgezet onderwijs heeft de kans hun havisten en vwo'ers die schei- en natuurkunde in hun pakket hebben, als stagiair te betrekken bij de maatschappelijke kwestie die hier speelt. Zij kunnen als lid van een techniekteam bijdragen aan de perceptie bij jonge kinderen dat studeren en werken in de technieksector een aantrekkelijk perspectief is.
Het beroepsonderwijs krijgt met OhO de kans het praktijkonderwijs maatschappelijk relevant in te vullen. De inzet van techniekteams in het basisonderwijs is tegelijkertijd een sterk marketinginstrument om de doelgroep van potentiële klanten op een positieve manier te bewerken. Meer leerlingen techniek biedt kans op minder schooluitval. Het recente idee van Vakscholen is ook op deze veronderstelling gebaseerd. Hier liggen dus kansen voor het beroepsonderwijs om als organisatie zelf beter te functioneren en om een actueel arbeidsmarktvraagstuk te helpen oplossen.
Het hoger onderwijs bezit met zijn studenten en studieopdrachten allerlei mogelijkheden effectief bij te dragen aan het ontwikkelen, organiseren en begeleiden van kennisketens techniek ten behoeve van de uitgestrekte 'laagvlakte' van Nederland Kennisland.
Bedreigingen
De grootste bedreiging voor het verwezenlijken van OhO is gebrek aan samenwerking.
Onderwijsinstellingen zijn erg naar binnen gekeerd en vooral bezig met hun eigen bestaan. Dat is, gelet op de maatschappelijke druk die zij voelen, niet verwonderlijk. Als dat gebrek aan samenwerking echter niet verandert, mist onze samenleving geweldige kansen op onderwijs dat meer en betere prikkels biedt aan jongeren om een passende opleiding te volgen.
Een tweede bedreiging voor een structurele aanpassing van het onderwijs vormt het wispelturig gedrag van de overheid. De autonomie van scholen in Nederland is een groot goed. Dat sluit belangrijke zeggenschap van de overheid op het onderwijs niet uit. Integendeel. Het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijs en het zekerstellen van een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt zijn van fundamenteel publiek belang. De rol van de overheid hierbij staat boven de autonomie van onderwijsinstellingen.
Alleen gedraagt de overheid zich merkwaardig door steeds wisselende eisen aan het onderwijs te stellen. Onder druk van de Onderwijsinspectie moeten in 2010 alle basisscholen techniek in hun lesprogramma hebben staan. VTB-scholen, die steun krijgen van de overheid, zien daartoe nauwelijks kans; laat staan de basisscholen die geen overheidssteun krijgen en volledig aan hun lot worden overgelaten bij het maken van leerplan 2010 waarin techniek moet zijn opgenomen.
Dat accent op techniek is inmiddels door de overheid bijgesteld. Enerzijds omdat overheidssteun bij de introductie van techniek in het basisonderwijs afloopt. Anderzijds omdat de overheid van het primair onderwijs andere accenten verlangt, namelijk meer aandacht voor taal en rekenen Zo ruilt de overheid het ene maatschappelijk belang in voor een ander. De vraag is dan gewettigd, hoe basisscholen met een gering techniekprofiel en met een hoge mate van autonomie nog te prikkelen zijn nieuwe generaties voor te bereiden op de voor Nederland zo belangrijke technieksectoren.
Relatie Onderwijs helpt Onderwijs en Maatschappelijke Stages
Het hoofddoel van deze notitie is het zelforganiserend vermogen van de onderwijssector een enorme impuls te geven om tegemoet te komen aan de maatschappelijke wens meer jongeren voor techniek te interesseren.
Een tweede belangrijke invalshoek in deze notitie betreft het onderwerp Maatschappelijke Stages. De vraag is wat Nederland in deze tijden van crisis met die stages opschiet. Kunnen die stages niet een veel hogere maatschappelijke waarde realiseren, door ze te koppelen aan techniekacties zoals OhO die voorstaat?
Maatschappelijke Stages
Verplicht vrijwillig
Om het 'normen- en waardenbeleid' een concreet gezicht te geven heeft de regering-Balkenende o.a. het idee van maatschappelijke stages in het voorgezet onderwijs gelanceerd. De overheid wil hiermee leerlingen in het voortgezet onderwijs verplichten vrijwilligerswerk te doen om daar enthousiast voor te worden en om hun sociale vaardigheden te vergroten. Het vrijwilligerswerk kan daar later zelf weer van profiteren.
De OCW-regeling VO/BVB-2008/19231 stelt Maatschappelijke Stages vanaf het schooljaar 2011/2012 verplicht in het hele vo-onderwijs. Voor de bekostiging van een MaS (Maatschappelijke Stagiair) was aanvankelijk ca 500 euro begroot, bovenop de lumpsum. Door de bezuinigingen is dat bedrag teruggebracht naar 375 euro, met als gevolg dat ook de stageduur is ingeperkt. Massa's MaS-kandidaten zullen jaarlijks hoe dan ook de Onderwijsbegroting structureel extra belasten.
De vraag is, of de studievorm maatschappelijke stage, zoals hier beschreven, een passend instrument is om ons onderwijs geschikt te maken voor de uitdagingen van nu en de komende tijd. De twijfel in deze vraag wordt gevoed door de marginale inhoud van deze stages, door de beperkte focus op vrijwilligerswerk en door de rommelige organisatie ervan. Onder deze voorwaarden zorgt deze studievorm gegarandeerd voor extra onrust. Dat kan het onderwijs er niet nog eens bij hebben. Wie structureel voor dergelijke stages een aparte kostenpost in de begroting van OCW wil opnemen, is onverstandig bezig.
Maatschappelijk rendement
Maatschappelijke stages zijn daarmee niet ongewenst. Integendeel, ze zijn hard nodig om leerlingen in het voortgezet onderwijs indringende ervaringen met hun sociale omgeving op te laten doen en om hun sociale vaardigheden te vergroten. Dat is een belangrijke eigentijdse leerdoelstelling. Zoals bij ieder studieonderdeel, geldt ook bij maatschappelijke stages dat structuur, inspiratie en maatschappelijke relevantie de uitvoering ervan moeten bepalen.
Het concept OhO bezit deze kenmerken en kan als voorbeeld dienen hoe de sector techniek maatschappelijke stages binnen het reguliere onderwijsprogramma betekenisvol kan invullen:
De winst: Binnen de hele onderwijskolom ontstaan prikkelende kennisstromen, die de deelnemers sterk motiveren. Jonge leerlingen zien in de oudere een voorbeeld om na te volgen. De ouderen voelen zich verantwoordelijkheid voor hun eigen vakgebied en voor jongeren die zij begeleiden.
De winst: OhO genereert een hoge mate van maatschappelijke betrokkenheid van leerlingen en studenten bij het actuele arbeidsmarktvraagstuk in de technieksector. Daarnaast levert het concept een aanzienlijke besparing op bij de Onderwijsbegroting, die in deze crisistijd onder grote druk staat. De PO-Onderwijsraad weet daar o.a. over mee te praten.
Maatschappelijk en vrijwilligerswerk
Wat in de technieksector kan, is ook toepasbaar op andere onderwijsvelden. Zo kan uitstekend de koppeling tussen Maatschappelijke Stages en Zorg en Welzijn worden gelegd. Jongerenteams uit die sectoren kunnen tijdens hun stagetijd zich inzetten voor lager opgeleiden in het onderwijs en voor maatschappelijke en vrijwilligersorganisaties. Net zoals de techniekketens zijn ook de kennisketens Zorg en Welzijn volgens het concept OhO uit te voeren: binnen het reguliere onderwijsprogramma, georganiseerd door leerlingen en studenten en budgettair neutraal. Zo ontstaat er voor het onderwijsveld Zorg en Welzijn een zinvolle, natuurlijke en werkbare relatie met de praktijk van het maatschappelijk en vrijwilligerswerk.
Organisatie
Bij OhO staat het zelforganiserend vermogen van de onderwijssector voorop. Per regio zorgt een organisatie van leerlingen en studenten voor de uitvoering van de OhO-keten. Studenten uit het hoger onderwijs geven leiding aan die organisatie: per regio een OhO-trefpunt.
Onderwijsinstellingen, daaraan gelieerde marktpartijen en VTB-coördinatoren leveren praktijkdocenten en praktijkfunctionarissen ten behoeve van een Raad van Advies en Toezicht.
De bestaande infrastructuur van branche- en arbeidsmarktorganisaties vormen de connectie tussen een OhO-trefpunt en de regionale arbeidsmarkt.
Crisis? Een zegen!
De ongekende felheid bij de jongste algemene beschouwingen in de Tweede Kamer heeft alles te maken met politieke partijen die worstelen met het maken van moeilijke keuzes: niet meer, maar minder; welke kwaliteiten wel in onze samenleving en welke minder. Bij die keuzes gaat het vooral over de verdeling van geld, alsof dat de enige factor is om gewenste kwaliteitsniveaus in onze samenleving te bereiken. Nauwelijks komt de vraag aan de orde, of reeds beschikbare middelen anders en effectiever zijn in te zetten, dan nu het geval. Die vraag moet, nu meer dan ooit, gesteld worden, ook voor ons onderwijs.
Het concept 'Onderwijs helpt Onderwijs' laat zien, dat slim organiseren met minder middelen de kwaliteit van het onderwijs niet in gevaar brengt, maar zelfs significant kan verhogen. Slim organiseren vraagt om een trendbreuk in de relatie overheid en onderwijs, die ervoor zorgt dat onderwijsinstellingen adequaat met elkaar samenwerken, op eigen benen staan en zich ontdoen van de verkleving van externe adviseurs.
Die trendbreuk kan de overheid eenvoudig bereiken door de twee hier genoemde beleidsterreinen zodanig met elkaar te verbinden, dat het beleid van verplichte maatschappelijke stages in dienst komt van het beleid voor techniekpromotie en andere onderwijsvelden, zoals zorg en welzijn. Met een drastisch aangepaste OCW-regeling voor Maatschappelijke Stages kan de overheid de totstandkoming van regionale kennisketens afdwingen, die structureel hoge maatschappelijke waarden opleveren en die structureel voor aanzienlijke bezuinigingen op de huidige Onderwijsbegroting zorgen.
De tijd is rijp voor stevige ingrepen en voor trendbreuken, ook in het onderwijs.
Zo'n trendbreuk wordt hier bepleit. Als de huidige crisis die breuk kan veroorzaken, is dat onder andere een zegen voor ons Techniekonderwijs en een zegen voor de 'laagvlakte' van Nederland Kennisland.
Klaas Stegeman,
Initiatiefnemer 'Onderwijs helpt Onderwijs'1
Meteren, oktober 2009